toen ik 38 weken zwanger had moeten zijn
Ik wandel stevig, almaar door.

Doorgaan, doorgaan, net als in het echte leven.

Geen keus, hoe verward of bedroefd ook,

het leven dendert verder.



Kun je het aan mij zien?

Dat mijn hart verscheurd en verward is?

Is mijn gezicht grauw van verdriet, zijn mijn ogen donker?

Is aan de buitenkant waarneembaar dat vanbinnen niets meer klopt,

er geen steen op de andere is blijven liggen?



Ik wandel stevig verder, honden en mensen voorbij.

Ik durf ze niet aan te kijken, want dan stromen de tranen weer.

Gaat dit ooit over? Houdt dit ooit op? Dat alles mij herinnert aan mijn dochter,

dat ik haar zo vreselijk mis?



Steeds weer die beelden die in mijn hoofd opkomen, uit het niets.

De doodstille echo, afschuwelijk onthullend onheil.

Haar prachtige lijfje, pasgeboren lief levenloos opgekruld klein mensje.

Haar oogjes die niet zien, haar handjes die niet grijpen, haar mondje dat niet zoekt.

Het dichte mandje bedekt met rozenblaadjes

om lieflijk te laten lijken wat afschuwelijk is.

Of om lief toe te dekken wat zo kostbaar is.



Ik wandel verder, wil die chaos uit mijn kop, orde in mijn denken krijgen.

Ik zoek God in dit alles en weet dat Hij er is, maar wil er niet bij stilstaan.

Ik wandel liever, ren, strompel.

Als ik maar blijf bewegen, kan ik niet vallen.

Stilstaan is achteruitgang toch? Of klopt dat niet.



Als ik rust in mijn gedachten en vrede in mijn hart wil,

moet ik stil zijn en wachten. Iets in mij weet dat wel.

Maar als ik het nu niet k´;n,

als ik nu eenmaal alleen maar kan rennen?

Kan ik vertrouwen dat Hij mij tegemoet rent als ik schreeuw om hulp,

om Hem?



Ik wandel door, iets rustiger geworden.

Wil nog steeds haar naam in mijn lichaam graveren,

aan iedereen vertellen hoe prachtig ze was en hoe erg ik haar mis.

Maar het is niet uit te leggen, de precieze woorden vind ik niet.

Ik kan alleen maar blijven beamen wat we steeds opnieuw weer luisterden.

We are not alone, we are not alone, God is with us.
Ineke Marsman

